![]()
Over het ontstaan van de Oosterse vechtsporten bestaan er nog vele onduidelijkheden en contradicties. Toch wordt algemeen aanvaard dat de eerste vormen in China werden ontwikkeld. Het rijke militaire verleden van China heeft bijgedragen tot de verfijning en de doorgedreven ontwikkeling van diverse gewapende en ongewapende technieken.
Langzamerhand verspreidden deze gevechtsvormen zich ook naar andere delen van Azië. Op die wijze konden dan ook in andere Aziatische landen de vechtsporten verder ontwikkeld worden. Dit werkte dus een grote variatie aan verschillende vechtsporten in de hand, met in iedere streek andere karakteristieken.
Een verdere opsplitsing van een stijl of school vond plaats door de interne differentiatie die de bepaalde meesters in de krijgskunst aan hun stijl meegaven. Ze drukten hun persoonlijke stempel op de variatie van technieken en/of houdingen.
Via dit zojuist beschreven complexe proces kreeg uiteindelijk elke stijl zijn eigen karakter. Of we hiermee aan een eindpunt in de ontwikkeling gekomen zijn, valt niet met zekerheid te zeggen.
Alhoewel er doorheen de tijd een grote variatie is ontstaan, is het basisprincipe van al deze afgeleide vormen evenwel ongewijzigd gebleven. Allen steunen immers op het principe van aanval en verdediging. De manier waarop dit principe in de praktijk wordt gebracht, kan evenwel tussen de diverse disciplines zeer verschillend zijn.
Vaak hoort men beweren dat er bij de vechtsporten sprake is van enerzijds 'aanvalssporten' en anderzijds 'verdedigingssporten'. Een dergelijke bewering is zeker onjuist, aangezien er in elke vechtsport mogelijkheden tot aanval en verdediging bestaan. Het verschil tussen beide acties is immers zeer gering: men kan vaak een verdedigingstechniek op aanvallende wijze gebruiken.
Een ander principe dat ook deel uitmaakt van alle bestaande traditionele gevechtsdisciplines, is de morele gedragscode. De belangrijkste elementen van deze gedragscode zijn het respect voor de stijl, voor de leraar (trainer) en voor de trainingspartner of tegenstander. Dit laatste uit zich in de groet die iedere les of partneroefening voorafgaat en besluit. De manier waarop deze groet wordt uitgevoerd, is verschillend per stijl of discipline.
Eén belangrijk element onderscheidt de oosterse vechtsporten van de andere gevechtsdisciplines met name het belang dat gehecht wordt aan de eenheid tussen externe en interne aspecten bij de beoefenaar. Er is dus niet alleen aandacht voor fysieke (externe) elementen zoals de bewegingen en de houdingen, maar tevens oefent men de interne aspecten zoals ademhaling, concentratie en emotie. Enkel wanneer er eenheid en coördinatie tussen de uitwendige en inwendige elementen bestaat, komen de technieken en bewegingen volledig tot hun recht. Dit laatste wordt niet altijd begrepen in de Westerse wereld. Er wordt dan bijgevolg ook minder aandacht aan besteed. Het vormt nochtans een essentieel onderdeel van de Oosterse vechtsporten.
Alhoewel de gevechtstechnieken van de Japanse vechtsporten ontstonden in China werden ze in Japan verder ontwikkeld. Ze kregen een specifieke eigenheid, zodat ze vandaag de dag zeer duidelijk van de Chinese vechtsporten kunnen worden onderscheiden. Elk met hun aanverwante vormen en/of stijlen en elk met hun eigen typische kenmerken.
In de huidige Japanse vechtsporten kan men algemeen twee groepen onderscheiden: enerzijds de 'Bugei'-vormen en anderzijds de 'Budo'-vormen. Deze twee vormen bevatten alle vechtdisciplines. De 'Bugei' of 'krijgskunsten' die reeds vanaf de tiende eeuw systematisch werden ontwikkeld, konden beschouwd worden als efficiënte vechtmethoden bedoeld voor de strijd.
Zij werden ontwikkeld voor de oorlogvoering, maar met het verminderen van de oorlogsdreigingen geraakte de 'Bugei' in verval. 'Bugei'-vormen hebben meestal de uitgang 'jitsu' in hun benaming.
Waarschijnlijk bestaan er een vijfigtal verschillende soorten, maar de bekendste zijn wellicht het 'jiu-jitsu' en het 'nin-jitsu'.
De 'Budo' of 'krijgsmanieren' zijn grotendeels het product van de twintigste eeuw.
Deze vormen hebben vooral betrekking op de geestelijke discipline, waardoor de beoefenaar streeft naar een samenspel tussen het fysieke en het mentale. Het principe en de beleving van de activiteit worden belangrijker geacht dan het resultaat van de vechtmethode die gebruikt wordt. De 'budo'-vormen zijn herkenbaar aan het achtervoegsel '-do'. De meest gekende vormen zijn 'judo', 'aikido', 'kendo' en 'karate-do'. Van alle Oosterse vechtsporten die in het westen beoefend worden zijn het de Japanse vormen die de meeste bekendheid genieten, zij werden immers vroeg geintroduceerd in diverse Westerse landen.
De verdere ontwikkeling van Karate.
Karate werd in oorsprong als noodzakelijk verdedigingsmiddel ontwikkeld en aldus aangewend in het feodale Japan van de 16e en 17e eeuw, meer specifiek door de onderdrukte boeren, voor wie elke wapendracht verboden was. Over de exacte toedracht van de volledige ontwikkeling zijn uiteenlopende verhalen bekend. Hoe dan ook is de door ons beoefende SHOTOKAN-karate afkomstig van het Japanse eiland Okinawa en werd voor het eerst als dusdanig onderwezen en naar buiten gebracht door Sensei Gichin Funakoshi die de vader van het moderne karate genoemd mag worden. Hij bracht immers de techniek van de klassieke leermeesters verder tot ontwikkeling en zorgde ervoor dat het karate ook in de rest van Japan en later over de hele wereld bekend geraakte. Nu nog beoefenen vele karateka's de Shotokan stijl of de stijl van sensei Gichin Funakoshi.
De rechtstreekse leerlingen van meester Funakoshi waren het niet altijd onderling eens waardoor er verschillende stijlen ontstonden zoals in vorig onderdeel beschreven staat.
De oorspronkelijke stijl, de Shotokan, evolueerde steeds. Trainingsmethodes werden verbeterd en aangevuld met modernere bevindingen, aan technieken werd geschaafd, werptechnieken en klemtechnieken werden toegevoegd, competitie werd ingevoerd en de competitiereglementen werden verbeterd en verruimd.
Toch werden steeds de basisprincipes van sensei Funakoshi bewaard, basisprincipes die onmisbaar zijn om het doel van karate te bereiken, namelijk: EERLIJKHEID HOFFELIJKHEID, NEDERIGHEID, MOED en ZELFCONTROLE.
De bedoeling achter de karatetechnieken bestaat er immers in de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van de karateka tot een zo hoog mogelijke perfectie te brengen. Een andere markante figuur in het Shotokan gebeuren was sensei NAKAYAMA, een rechtstreekse leerling van Funakoshi. Hij stelde duidelijke structuren en reglementeringen op, zodat het karate als sport kon beoefend worden.
De ontwikkeling van Karate in België.
De geschiedenis van karate in België van voor 1965 is niet precies gekend. Sensei Miyazaki, leerling van sensei Nakayama, deed zijn intrede als hoofdinstrukteur voor België.
Het was zijn voortdurende bezorgdheid om ons, Westerlingen, te laten inzien dat karate meer is dan een wedstrijdsport. Hij legde zware accenten op de mentale vorming en de levenshouding als karateka.
In de jaren '60 groepeerden de karatebeoefenaars in België zich als een afdeling in de Judobond. In 1967 besloot deze afdeling beroep te doen op een Japanse lesgever, namelijk de heer Miyazaki. Door concurrentie en geschillen tussen de karatefederaties op internationaal vlak en met de Judobond op nationaal vlak, werd er overgegaan tot de oprichting van de Belgische Karate Vereniging, los van de Judo Federatie.
De groep karateka's die bij de Judo Federatie gebleven was, maakte zich in 1971 hiervan los en ging onafhankelijk werken onder de naam Belgische Karate Associatie. Door deel te nemen aan verschillende internationale kampioenschappen ontstonden er problemen in gans Europa, en alle Europese federaties splitsten zich. Daarbij wilden de karateka's hun autonomie bewaren en niet meer afhangen van Judo-federaties zoals ook in andere landen het geval was. Er werden Europese Federaties opgericht ESKA (Europese Shotokan Karate Associatie) en EKU (Europese Karate Unie) die op hun beurt aansloten bij de Wereld organisatie WURO (World Union Karate Organisation) of WSKA (World Shotokan Karate Association).
In België splitste zich dit in BAKF (Belgian Amateur Karate Federation) en BKA (Belgische Karate Associatie), op Vlaams niveau tot VKV (Vlaamse Karate Vereniging) en VKA (Vlaamse Karate Associatie).
Deze verscheidenheid aan federaties, bonden en verenigingen (ook op wereldvlak) belet nog altijd de erkenning als olympische discipline.
Enkele jaren geleden werden er overkoepelende organen opgericht nl. op Vlaams gebied VKF (Vlaamse Karate Federatie) en op Belgisch het BKF (Belgische Karate Federatie). Bij deze bonden zijn er verschillende stijlen aangesloten, maar de Shotokan stijl is en blijft de sterkste. In '93, na de dood van sensei Miyazaki werd na onderhandeling met de grote Japanse meesters van JKA (Japanse gevechtsport associatie), voor het eerst een Niet-japanner aangeduid als hoofdinstrukteur namelijk Sergio Gneo.